Is de bijbel vandaag de dag zoals het van oorsprong geschreven werd?
Door Andreas J. Köstenberger
Van oorsprong is de bijbel geschreven in het Hebreeuws, Aramees (het Oude Testament [OT]), en Grieks (Het Nieuwe Testament [NT]). De bijbels die we vandaag de dag gebruiken zijn vertalingen van de originele talen in het Nederlands (of andere talen). Jezus onderwees hoogst waarschijnlijk in het Aramees (Hoewel Hij waarschijnlijk Hebreeuws en Grieks kende), zodat het Griekse Nieuwe Testament zelf een vertaling is van de leer van Jezus in het Aramees naar het Grieks.
De vraag: “Is de bijbel vandaag de dag zoals het van oorsprong geschreven werd?” heeft twee belangrijke vragen in zich: (1) Zijn de beschikbare manuscripten van de bijbel een accurate vertegenwoordiging van originele manuscripten van de respectievelijke bijbel (de originele teksten van de Schrift)? Dit is een zaak van tekstuele overdracht. (2) Zijn de beschikbare vertalingen een betrouwbare weergave van de bijbel in haar originele talen? Dit is een zaak van vertaling.
Met betrekking tot de eerste vraag, van geen enkele bijbeltekst bestaan originele handgeschreven teksten; alleen de kopieën zijn beschikbaar. Het woord “manuscript” wordt gebruikt voor alles wat met de handgeschreven is, i.p.v. exemplaren die uit de drukpers komen. Tekstueel bewijs is alles wat op kleitabletten, steen, botten, hout, verscheidene metalen en potscherven(ostraca) geschreven is, echter in het bijzonder papyrus en perkament(vellum).
De meest oude boeken werden samengesteld en dan tot een boekrol gerold. Gezien het feit dat een papyrusrol zelden langer was dan 10 meter, deelden auteurs uit de oudheid lange literaire werken op in verschillende “boeken” op (bijv. Lucas en de Handelingen der Apostelen bestonden uit een tweedelige set, samengesteld door Lucas.)
Later, ergens tussen de eerste en de tweede eeuw na Christus., werd de codex in gebruik genomen. De codex bestond uit gebonden vellen papyrus en was het prototype voor het moderne boek formaat. Dus de vroege christenen begonnen de individuele boeken te verzamelen en vergelijken tot wat nu het canonieke Nieuwe Testament is. De term “bijbel” komt van het Griekse woord biblija (boek); het vroegste gebruik van ta biblija (de boeken) oftewel “bijbel” wordt gevonden in 2 Clement 2:14 (circa 150 n. Chr.).
Alhoewel de originele geschriften verloren zijn gegaan, staat het huidige manuscriptbewijs een hoge graad van betrouwbaarheid toe in de tekst van de bijbel. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament worden bevestigd door een groot aantal manuscripten in een verscheidenheid van vormen die vele eeuwen bestrijken.
De primaire bronnen voor het Oude Testament komen uit de Masoretische teksten (de Masoreten waren joodse schriftgeleerden) waaronder de Cairo Heniza (895 n. Chr.), de Leningrad Codex (916 n. Chr.), de Codex Babylonicus Petropalitanus (1008 n. Chr.), de Aleppo Codex (c. 900 n. Chr.), het Brits Museum Codex (950 n. Chr.) en de Reuchlin codex (1105 n. Chr.). De Leningrad codex bevat de oudste complete manuscripten en dient als de belangrijkste bron voor de Hebreeuwse tekst. Echter gezien het feit dat de vroegste van deze manuscripten stamt uit de negende eeuw na Christus, zijn ze verwijderd uit de originele handgeschreven teksten gezien de aanzienlijke tijdspanne.
Andere bronnen zijn de Talmoed (Aramese vertalingen en uitleg), de Septuagint (LXX; de Griekse vertaling van het Oude Testament), de Samaritaanse Pentateuch en de dode zee rollen (DZZ). De laatste, ontdekt in de jaren veertig en vijftig, leveren geleerden bronnen voor het Oude Testament die gedateerd kunnen worden tussen 250-100 vóór Christus. Grot 4 (4Q) bijvoorbeeld, heeft 40.000 fragmenten opgeleverd uit 400 verschillende manuscripten, 100 hiervan die bijbels waren, representeren ieder oudtestamentisch boek, behalve Ester. Verwonderlijk is dat een vergelijking van de DZZ en de Masoretische teksten opvallend weinig verschillen vertonen.
Dus het bewijs uit de manuscripten toont duidelijk aan dat de oudtestamentische teksten zorgvuldig zijn bewaard en accuraat gepresenteerd worden in onze moderne bijbel.
De Nieuwtestamentische tekst blijft de meest ondersteunende tekst uit de Oude Wereld. De bronnen voor het Nieuwe Testament vallen uiteen in drie categorieën: de Griekse manuscripten; oude vertalingen (versies) in andere talen; citaten uit het Oude Testament gevonden in vroege christelijke geschriften (de kerkvaders). De Griekse manuscripten, meer dan 6000 in totaal, bevatten papyrus fragmenten, unciaalschriften (geschreven in grote letters zonder ruimte tussen de letters en zonder interpunctie) en minuskelschrift (soort klein cursief geschrift).
De papyrus vorm is de belangrijkste groep gezien het feit dat hun vroege datering doet vermoeden dat ze chronologisch het dichtste bij de originelen liggen. Zowel bijvoorbeeld p52 (wat een aantal verzen bevat van Johannes 18) als p46 (wat alle brieven van Paulus bevat, behalve de pastorale) zijn gedateerd, 30 jaar na de originele geschriften.
De unciaalschriften volgen de papyrus qua chronologische waarde. Codex Sinaiticus, een unciaalschrift van ongeveer 350 na Christus, is de vroegste nog bestaande kopie van het gehele Nieuwe Testament. Andere unciaalschriften, zoals de codex Vaticanus, Alexandrinus, Ephraemi en Bezae, vormen eveneens belangrijke bronnen.
De minuskelschriften vormen de grootste groep van Griekse manuscripten, ze worden echter aanzienlijk later gedateerd.
Ten slotte leveren de vertalingen en de kerkvaders behulpzame vroege bronnen die geleerden kunnen helpen in het reconstrueren van de meest aannemelijke originele geschriften. De totale optelsom van meer dan 6000 Griekse manuscripten, meer dan 10000 Latijnse Vulgaat manuscripten en meer dan 9300 vroege vertalingen resulteert in meer dan 25000 bronnen voor de tekst van het Nieuwe Testament.
Deze totale hoeveelheid aan manuscripten resulteert echter niet in absolute uniformiteit van de teksten. Er bestaan duizenden verschillende manuscriptvarianten (de meeste van hen verschillen in kleine dingen). Terwijl schriftgeleerden een grote zorg aan de man brachten in het reproduceren van een exacte kopie, waren ze niet immuun voor menselijke fouten. Schrijversfouten kunnen de vorm aannemen van onopzettelijke en opzettelijke fouten. Onopzettelijke fouten zijn de oorzaak van de hoeveelheid tekstuele varianten. Deze omvatten typisch fouten van de ogen (bijv. woorden overslaan of de passage uit het oog verliezen); handen (uitschieters met de pen of het schrijven van kanttekeningen); en oren (gelijk klinkende woorden verwarren of een woord fout begrijpen). Opzettelijke fouten kwamen voor wanneer de schriftgeleerden trachtten een duidelijke fout in de tekst te verbeteren of de tekst veranderen ten goede van doctrine en het scheppen van harmonie. Deze fouten werden vaak gestandaardiseerd door de verdere kopieën die gemaakt werden uit het gebrekkig exemplaar.
Alle Griekse manuscripten tonen karaktertrekken die geleerden in staat stellen ze in tekstfamilies onder te verdelen (Alexandriaans, Westers, Byzantijns) gebaseerd op geografische oorsprong, Griekse stijl en datering. Door vergelijkende analyses uitgevoerd door de beoefenaars van een wetenschap genaamd “tekstkritiek” ziften geleerden alle manuscripten om de meest aannemelijke lezing van de originele geschriften in elk individueel geval te reproduceren.
Tekstcritici beslissen tussen verschillende uitleggen d.m.v. nauwkeurige criteria zoals datering, tekstsoort, geverifieerde uitleg (d.w.z., hoeveel manuscripten hebben een bepaalde uitleg), en mogelijke redenen voor verschillende varianten (bijv. het gladstrijken van een theologisch moeilijke uitleg). Behalve het onderzoeken van Griekse manuscripten, nemen tekstcritici ook andere relevante getuigen in overweging. (d.w.z., vertalingen en de Kerkvaders)
Hoewel tekstkritiek een erg complex en soms controversiële wetenschap is, heeft het ons in ieder geval twee garanties opgeleverd. Ten eerste dat geen van de varianten (inclusief de weglatingen) invloed heeft op de centrale boodschap of de theologische inhoud van de Heilige Schrift. Ten tweede kan met zekerheid gesteld worden dat de tekst van de bijbel vandaag de dag een accurate en betrouwbare representatie is van de originelen.
Het tweede onderwerp, namelijk de vertaling, is als een natuurlijke gevolgtrekking wanneer de vraag van de tekstuele overdracht beantwoord is. Om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de bijbel vandaag de dag in vergelijking met de originele teksten te beoordelen moet men onderzoeken hoe de vertaalkwesties en geschiedenis van de engelse bijbel in zijn werk gingen. De kwestie van het vertalen van de bijbel vanuit zijn oorspronkelijke brontalen (Hebreeuws, Aramees en Grieks) naar een andere taal omvat een veelvuldigheid aan zaken die verband houden met de aard van de taal (engels) en communicatie. Wordt de woordbetekenis gevonden in een letterlijke betekenis of wordt de betekenis bepaald door de context? Bevind de betekenis zich in de formele eigenschappen van de originele grammatica, of in de functie van woorden binnen de grammatica? Dit zijn slechts een paar van de vragen die relevant zijn voor de vertaling.
Sommige vertalers zijn van mening dat een accurate vertaling een woord voor woord benadering nodig heeft (KJV, NKJV, NASB, ESV). Anderen beweren dat een één op één verband tussen twee talen de betekenis vervormd. Deze vertalers gebruiken een zin-voor-zin aanpak (NRSV, NIV, CEV, NLT, TNIV). In het licht van taalkundige, exegetische en stijlistische overwegingen vormen de vertalingen in overeenkomst met de dynamische of functionele gelijkwaardigheid meer een weerspiegeling van de originele betekenis. Het doel van de vertalers, ongeacht de vertaal methode die ze hanteren, is de productie van een engelse versie die een accurate weergave is en wel op zo’n manier geschreven dat de bijbel haar literaire schoonheid, theologische pracht, en meest belangrijk, haar boodschap behoudt.
De geschiedenis van de engelse bijbel laat op een bevredigende manier zien dat de bijbel van vandaag inderdaad de Heilige Schrift in haar originele taal op een betrouwbare manier representeert. Eeuwenlang was alleen de Latijnse Vulgaat beschikbaar voor de westerse mens, deze was samengesteld door hiëronymus, benoemd door paus Damasus aan het einde van de vierde eeuw na Christus. De Vulgaat die in geheel middeleeuws europa diende als de officiële versie van de bijbel en zich alleen beperkte tot de geestelijkheid, kloosterorden en geleerden.
Een Britse priester en Oxford geleerde John Wycliffe (1330-1384) waren de eersten die de bijbel toegankelijk maakten voor de gewone Engelssprekende mensen. Zijn vertaling was echter gebaseerd op de Vulgaat en niet op het Hebreeuws en het Grieks. William Tyndale publiceerde in 1526 het eerste Engelstalige Nieuwe Testament gebaseerd op de Griekse tekst. Twee naaste compagnons van Tyndale, Miles Coverdale en John Rogers, maakten zijn werk af door publicatie van hun eigen respectievelijke vertalingen van de gehele bijbel: de Coverdale Bible(1535) en de Matthew’s Bible (1537). De Geneve bijbel van 1560 voorzag in een vertaling van de bijbel geheel vanuit de oorspronkelijke taal. Dit plaveide de weg voor Koning James I om een bijbel uit te geven die de partizaanse aard van de Geneve bijbel corrigeerde. Dus in 1611 werd de veelgevierde Authorized Version (AV of KJV), grotendeels gebaseerd op Tyndale’s werk, de ongeëvenaarde Engelse vertaling voor 270 jaren lang.
De twintigste eeuw leidde tot een aantal nieuwe vertalingen. Het updaten en de productie van nieuwe vertalingen waren nodig door de ontdekking van nieuwe manuscripten, veranderingen in de Engelse taal en de vooruitgang van de taalwetenschap. Wanneer vandaag de dag iemand een Engelse Bijbel opent (of anders talige bijbels) dan mag hij of zij weten dat generaties van toegewijde geleerdheid er in zijn geslaagd de bijbel te behouden en beschermen zoals ze oorspronkelijk gegeven is.
|