davinci ai bijbel jezus links contact

 

De historische betrouwbaarheid van Jezus Christus

Door Wayne Jackson

Christian Courier: Archieven Monday, December 7, 1998

Heeft Jezus van Nazareth ooit geleefd? Zijn de gegevens die we over Hem vinden in het Nieuwe Testament betrouwbaar? Deze vragen zijn van cruciaal belang.


 

E.F. Harrison schreef: “Sommige religies, zowel zeer oude als moderne, behoeven geen historische basis omdat ze gebaseerd zijn op ideeën i.p.v. gebeurtenissen. Het christendom behoort niet tot dit soort religies” (p. 11). De religie van Jezus Christus staat of valt met gebeurtenissen in de geschiedenis. Heeft Jezus van Nazareth ooit geleefd? Zijn de gegevens in het Nieuwe Testament over Hem betrouwbaar? Dit is een cruciale zaak.

In de 19e eeuw beweerde de duitse historicus Bruno Baur dat Jezus een geestelijke uitvinding is van een paar tweede-eeuwse christenen die beïnvloed waren door de Grieks-Romeinse filosofie. Meer recent beweerde een atheïst van de Freedom From Religion Foundation dat “de Nieuw Testamentische Jezus een mythe is” (Barker, p. 378)

Meer voorzichtige geleerden zijn echter gedwongen de historische betrouwbaarheid van de Heer te erkennen. De Duitse historicus Adolf Harnack (1851-1930) verklaarde dat Jezus zo ontzagwekkend is dat het “ver buiten de macht van mensen ligt dit te bedenken” en dat het diegenen die Hem als een mythe behandelen ontbreekt aan “het vermogen onderscheid te maken tussen fictie en de bewijsstukken…” (zoals geciteerd door Harrison, p. 3).

Joseph Klausner, de beroemde Joodse geleerde van de Hebreeuwse universiteit (die Jezus niet als Zoon van God accepteerde) gaf toe dat Jezus geleefd heeft en sterke invloed uitoefende, zowel in de eerste eeuw als de daaropvolgende (p. 17-62). Zelfs de meest doorgewinterde scepticussen hebben het hoofd moeten buigen voor het krachtige historische bewijs. Komediant Steve Allen heeft enkele bittere tirades geschreven tegen de Bijbel. Desalniettemin gaf hij toe: “Mijn eigen geloof is dat hij [Christus] inderdaad in de tijd van Augustus Ceasar heeft geleefd …” (p. 229)

Verscheidene lijnen van bewijsmateriaal komen samen om de historische realiteit van de stichter van de christelijke godsdienst te bevestigen:

1. De Nieuw Testamentische documenten;
2. Oude Joodse bronnen;
3. Romeinse geschriften;
4. Vroegere tegenstanders van het christendom;
5. De getuigenissen van de kerkvaders;
6. De kunst uit de Romeinse catacomben;
7. De impact van het christendom door de geschiedenis heen.

De Nieuw Testamentische documenten

Het bestaan van Christus komt duidelijk tot stand in de primaire documenten van het Nieuwe Testament. Sceptische schrijvers zouden deze van de hand wijzen, echter dit te doen zou onverantwoordelijk zijn gezien het feit dat meer dan 5000 Griekse documenten, in hun geheel of deels, het lichaam vormen voor de Nieuw Testamentische literatuur (Metzger, 1968, p. 36). Het gehele Nieuwe Testament is voltooid binnen 60 jaar na de dood van Jezus. Van deze zevenentwintig boeken zijn niet minder dan tien geschreven door persoonlijke metgezellen van de Heer. En Paulus, een ooggetuige van de opgestane Redder, schreef dertien van de overige.

Liberale geleerden hebben getracht de Nieuw Testamentische boeken te dateren in de tweede eeuw n. Chr. (of later) en hebben erop toegespeeld dat deze documenten producties zijn van onbekende auteurs om ze te kunnen verwerpen als primaire bronnen van historische informatie.

Het is echter interessant om op te merken dat zelfs enkele radicale theologen toegegeven hebben aan het sterke historische bewijs voor de vroege samenstelling van het Nieuwe Testament.

John A.T. Robinson bijvoorbeeld, een liberale theoloog uit Engeland, heeft toegegeven dat alle Nieuw Testamentische boeken geschreven zijn in de eerste eeuw. Hij heeft ook toegegeven dat het boek van Jacobus geschreven is door een broer van de Heer binnen 20 jaar na de dood van Jezus, dat Paulus alle boeken geschreven heeft die zijn naam dragen, en dat Johannes de apostel het vierde evangelie geschreven heeft. Het Nieuwe Testament bevat onweerlegbaar bewijs voor het bestaan van Jezus.

Joods Getuigenis

Het vroegste niet-christelijke getuigenis over het bestaan van de Heer is dat van de Joodse historicus, Flavius Josefus (37-100 n. Chr). In Antiquitates Judaicae refereert de historicus twee maal naar Jezus. In één passage noemde hij Jezus “de Christus” gezien zijn “wonderbaarlijke daden,” en duidde op zijn dood en opstanding (18.3.3). Hoewel sommigen de eerlijkheid van deze referentie betwisten en de suggestie doen dat het verfraaid is door een overijverige christelijke stam, is de passage zoals het staat in alle standaard teksten, te verdedigen (Jackson, p. 29-30). Op een andere plaats levert hij commentaar op de berechting van Jacobus en identificeert hij hem als “de broer van Jezus, de zogenaamde Christus” (20.9.1)

Bovendien besteed De Joods Babylonische Talmoed aandacht aan het bestaan van de Heer. In zijn definitieve vorm verzameld in de vijfde eeuw n. Chr., is het geproduceerd uit vroeger materiaal waarvan een deel zijn oorsprong vindt in de eerste eeuw. Het getuigenis over het bestaan van Jezus is nog meer waardevol, daar het extreem vijandig is. Het uit de beschuldiging dat Christus (die Ben Pandera genoemd wordt) buiten het huwelijk geboren is nadat zijn moeder verleid werd door een Romeinse soldaat genaamd Pandera of Panthera.  

Gerespecteerd geleerde Bruce Metzger heeft uitleg gegeven over deze benaming:

“Het lasterlijke relaas van zijn geboorte lijkt een wetenschap te reflecteren van de Christelijke traditie dat Jezus de zoon van de maagd Maria was, het Griekse woord voor maagd, parthenos, omgebogen naar de naam Pandera” (1965, p. 76).

De Talmoed verwijst ook naar de wonderen van Jezus als “magie”, en vermeld dat Hij claimde God te zijn. Verder vermeldt het Zijn executie op de avond van het Pascha. Het Joodse getuigenis ondersteunt dus de Nieuw Testamentische positie t.o.v. het historische bestaan van Jezus.

Romeinse bronnen

Er zijn toespelingen naar Christus in de Romeinse tijd (zie Bettenson, 1961, p. 3-7).

Plinius, gouverneur van Bithynia, schreef de Romeinse keizer Trajanus (circa 112 n. Chr.), vragend om zijn advies inzake hoe te handelen met christenen die er een gewoonte van maakten elkaar te ontmoeten op een vastgestelde dag om een lofzang te zingen “tot Christus als was Hij God”. (epistel van Plinius aan Trajanus) x. 96).

De Romeinse historicus Tacitus refereerde in zijn annalen (circa 115 n. Chr.) naar “Christus” die “was geëxecuteerd onder het bewind van procurator Pontius Pilatus onder de regering van Tiberius” (XV. 44).

Schrijvend over 120 n. Chr., verklaard Suetonius, een populair Romeins schrijver, dat Claudius alle joden uit Rome had gebannen omdat ze voortdurend onrust stookten bij de instigatie van Chrestus” (Vita Claudii XXV.4) “Chrestes” is een gecorrumpeerde vorm van Christos (Christus). Lucas wijst op deze situatie in Handelingen 18:2.

Tegenstanders van het christendom

Een andere lijn van bewijs die het historische bestaan van Jezus onderstreept is het feit dat de vroegste vijanden van het christelijk geloof niet ontkenden dat Christus werkelijk leefde. (zie Hurst, p. 180-189)

Celsus, een heidense filosoof uit de tweede eeuw n. Chr. produceerde de oudst bestaande literaire aanval tegen het christendom. Zijn Werkelijke Lezing (circa 178 n.Chr.) was een bittere aanval op Christus. Celsus beargumenteerde dat Jezus geboren was in lage omstandigheden, debuitenechtelijke zoon zijnde van een soldaat genaamd Panthera (zie hierboven). Toen Hij opgroeide verklaarde Hij Zichzelf, velen verleidende, tot God. Celsus uitte de beschuldiging dat Christus’ eigen mensen Hem vermoord hebben en dat Zijn opstanding een misleiding was. Celsus stelde echter nooit vraagtekens bij de historische betrouwbaarheid van Jezus.

Lucianus van Samosata (circa 115-200 n. Chr.) werd “de Voltaire van de Griekse literatuur” genoemd.  Hij schreef meer vanuit beschermend oogpunt tegen het christendom dan vanuit vijandigheid. Hij zei dat christenen de welbekende “sofist” aanbaden die gekruisigd was in Palestina omdat Hij nieuwe mysteries introduceerde. Hij ontkende nooit het bestaan van Jezus.

Porphyrius van van Tyrus werd ongeveer in 233 n. Chr. geboren, studeerde filosofie in Griekenland en leefde op Sicilië alwaar hij vijftien boeken schreef tegen het christelijke geloof. In één van zijn boeken, Het Leven van Pythagoras, beweerde hij dat magiërs van de heidense wereld grotere krachten hadden als Christus. Zijn argument was een onachtzame concessie van Jezus bestaan en macht.  

Getuigenissen van de kerkvaders

De kerkvaders schreven significante werken tussen het eind van de eerste en de achtste eeuw n. Chr. Deze zogenoemde “kervaders” (paters) produceerden boeken die belangrijk waren voor het inzicht in de veranderingen van de christelijke religie in de na-apostolische tijd, en getuigen overvloedig van de historische Christus (Zie Bettenson, 1956)

Polycarpus (circa 69-155 na Chr.) bijvoorbeeld leefde in de stad Smyrna in Klein Azië. Hij sprak geestdriftig over Christus en schreef tegen bepaalde ketters van zijn tijd. Irenaeus (Circa 130-200 n. Chr.) verhaald dat Polycarpus een persoonlijke relatie met de apostel Johannes had en met anderen die “de Heer hadden gezien” (Eusebius V.XX). Hij stierf als een martelaar na Jezus Christus achtenzestig jaar lang gediend te hebben (veronderstellend dat bijna heel zijn leven opgedragen is aan de Redder). Het getuigenis van de “kerkvaders”  is zeker meer overtuigend dan de spottende tegenwerpingen van uitgekookte critici, twintig jaar verwijderd van de feiten.

De Romeinse catacomben

Onder Rome bestaat een doolhof van galerijen die vanaf de tweede tot de vijfde eeuw n. Chr. dienden als tombes (en geheime plaatsen van aanbidding in tijden van vervolging) voor vroege christenen. Er wordt geschat dat er bijna 1000 kilometer van deze onderaardse doorgangen zijn wat dan 1,2 tot 4 miljoen graven inhoudt (Blaiklock, p. 159)

De gewelven van de catacomben zijn gevuld met kunstwerken die getuigen van het diepe geloof in Christus dat door velen werd omarmt in het kapitale Romeinse rijk. Gewoon onder deze inscripties was de afbeelding van een vis die vaak het woord ichthus (Grieks voor “vis”; Boyd, p. 203) bevatte. De letters waren echter een acrostichon (gedicht waarin de eerste of laatste letters een woord of gezegde vormen), Jezus Christus, Gods Zoon, Redder. Stierven miljoenen die in de schaduw van de eerste eeuw leefden voor een “mythe”? Een dergelijke theorie klinkt niet logisch.

De impact van het christendom


Tenslotte is de impact van de christelijke beweging een krachtig getuigenis van de realiteit van zijn Stichter. Het is ondenkbaar dat een niet bestaand persoon een zo wereldschokkende sociale kracht teweeg kan brengen als het christendom is. Er is geen logische manier om uit te leggen hoe het christelijke systeem begon en hoe het zo snel groeide, behalve door het feit dat aanhangers wisten van Jezus leven, dood en opstanding. Het christendom is zelf een monument van de levende aanwezigheid van Gods Zoon in de geschiedenis.

De zaak die wij steunen is niet gebouwd op drijfzand, maar op rotsvaste historische feiten.